Bijeenkomsten op het raakvlak van geloof en samenleving.

Archief: Descartes, Darwin en de Dierlijke Geest. Donderdag 30 oktober 2014.

Inleider: Prof. Dr. Jan Van Hooff
Datum: Donderdag 30 oktober 2014

Drie eeuwen geleden stelde Descartes Cogito, ergo sum:  “Ik denk, dus ik ben."
Hij zag de ratio als een exclusief menselijk kenmerk. Op grond van de rede kan de mens zijn gedrag op creatieve wijze volgens zijn vrije wil vorm geven. Daarmee onderscheidt hij zich wezenlijk van het dier. Hij zag het dier als een systeem dat, gedreven door instincten, gedrag vertoont dat weliswaar doelmatig is, maar toch blindelings afloopt, niet gestuurd door inzicht. Descartes zag dieren als machientjes. Dat was een uiterst vruchtbare opvatting; zij stimuleerde experimenteel onderzoek naar de mechanismen van functionering van organismen, zowel het fysiologische als het gedragsmatige functioneren.

Gaandeweg vervaagt deze tegenstelling. Enerzijds ontrafelen we de aard en het mechanisme van de menselijke geest. Anderzijds  ontwaren we vormen van dierlijk ‘kennen’ en ‘denken’. De vraag is echter: hoe ver strekt het dierlijk denken zich uit? Het beeld van de wereld dat dieren zich vormen zal per soort sterk afhankelijk zijn van de leefwereld waaraan de soort evolutionair is aangepast. Is dit verbonden met ‘besef’? En als dat zo is, waarvan heeft een dier dan benul? Van welke aspecten van zijn leefwereld?

Lang is gedacht dat de wetenschap op deze vragen geen antwoord zou kunnen geven. Recent onderzoek lijkt het antwoord op deze vragen in zicht te brengen, bij voorbeeld op de vraag of er diersoorten zijn waarbij de individuen enig besef hebben van het weten en willen van anderen. Wij mensen hebben dat: wij kunnen ons voorstellingen vormen over de kennis, de gedachten, de opvattingen en de bedoelingen van onze medemensen. Wij zijn ons zelfs bewust van ons eigen voorkomen, ons eigen weten en willen en kunnen dit zelfs “onder woorden brengen”. Maar hoe ver strekt het dierlijk benul?

Dit alles vormt een uitermate boeiend terrein van onderzoek, dat in ieder geval duidelijk maakt dat de klassieke cartesiaanse scheiding tussen de Mens en het dier niet houdbaar is. Ook het geheel van mentale representaties, kenprocessen, emoties en intentionaliteiten dat we ‘de geest’ noemen, gaan we begrijpen als een product van de evolutie.

Prof. dr. Jan A.R.A.M. van Hooff (Arnhem, 1936) studeerde biologie in Utrecht en Oxford. Van 1980 tot 2001 was hij aan de Universiteit Utrecht verbonden als hoogleraar in de Gedragsbiologie. Zijn onderzoeksinteresse gaat in het bijzonder uit naar de vergelijkende en evolutionaire aspecten van het sociale gedrag en de sociale organisatie van primaten. Hij onderzocht de socio-oecologie van primaten in veldwerkprojecten in Indonesië en de regulatie van sociale betrekkingen in gevangenschapskolonies (o.a. in de wereldberoemde chimpanseekolonie van Burgers Zoo in Arnhem). Prof. van Hooff is lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en Officier in de Orde van Oranje-Nassau.